Previous Next


Hoofdstuk III:   Werk aan de Winkel


DE AMBTEN EN DE GEMEENTE

Voor het werkelijk functioneren van de gemeente zal er structuur moeten zijn in de kerk. Die structuur is nodig om de gemeente te sturen, de weg te wijzen, te onderwijzen en te activeren. In onze kerk zijn daar ambtsdragers met specifieke verantwoordelijkheden voor aangesteld: de predikant, de ouderlingen en de diakenen. Maar in een levende kerk is het ambt meer dan een bestuurlijke functie in de kerkenraad. Ambtsdragers dienen de gemeente eveneens door vanuit hun “ambtelijke” verantwoordelijkheden op te treden als manager van het kerkelijk gebeuren.

In een vitale gemeente krijgt het kerkewerk pas echt handen en voeten door de gestructureerde inzet van mensen:  in werkgroepen, commissies of individueel.

PASTORAAT EN DIAKONAAT

Dat de kerkgangers inspiratie opdoen in de liturgie van de zondagmorgendienst, in samen bidden en zingen, in de avondmaalsviering, en in speciale diensten zoals een Kerstnachtdienst en een Paaswake, dat is goed voor de cohesie in de gemeente en voor de uitstraling van de kerk naar binnen en naar buiten. Op dat punt begint de pastorale lijn naar de mensen die zoekende zijn in hun geloof en leven. Maar de gemeente leeft ook als het geen zondag is. Het is daarvoor belangrijk dat onze kerkenraad een passend eigen format zoekt voor allerlei verschillende activiteiten zoals die in een gemeente mogelijk zijn. En dan komt het op kiezen aan. Een kleine gemeenschap kan sommige dingen behappen en andere niet.

Pastorale gesprekken

Beschikbare tijd van de part time predikant voor individuele pastorale gesprekken zouden we gereserveerd willen houden voor mensen die “iets op hun hart hebben”. Dat type pastoraat, gericht op individuele personen, is een primaire functie van de gemeente. Mensen moeten hun blijdschap, angst of persoonlijke problemen kunnen delen. Maar de emotionele aspecten maken dit soort pastorale zorg (“crisispastoraat”) een specifieke taak voor goed opgeleide professionals. In de eerste plaats dus voor de predikant zelf, soms ondersteund door wijkouderlingen en vrijwilligers met een bescheidener (signalerings)taak in het pastorale werk.

Groot huisbezoek

In de geografisch zo gespreide kerk van Hoogeloon/Eersel is het “groot huisbezoek” een belangrijke verworvenheid. Het is op zich al een goed idee om in verschillende kleinere groepen mensen te praten over één geschikt thema. In de kleine kring van bekenden komen mensen eerder met elkaar in gesprek over de vragen waar ze zelf mee bezig zijn. Door de dynamiek van de groepsprocessen in die afzonderlijke bijeenkomsten zal dat meestal niet meer consensus binnen de gemeente opleveren, tenzij de discussies daar bewust heen gemanipuleerd zouden worden. Maar waarom zouden ze. In onze open benadering van het geloven is dat zeer ongewenst.

Veel belangrijker dan consensus is de laagdrempelige atmosfeer van het groot huisbezoek. Onder elkaar met mensen uit dezelfde buurt is bijna iedereen bereid zijn mening te geven. Daar worden soms dingen gezegd waar in groter, formeler verband te makkelijk overheen gepraat zou worden. En die je ook nooit tegen een ouderling zou hebben gezegd bij diens vroeger zo algemeen gebruikelijke, maar steeds minder als pastoraal zinvol ervaren - en dus in onbruik rakende - individuele bezoeken bij de mensen thuis.

Tijdens het groot huisbezoek komt aan de basis naar voren wat er allemaal in de gemeente leeft.

Modern Diakonaat

Naast het pastoraat staat het diakonaat. Laten we niet te gauw zeggen dat het diakonale werk achterhaald is omdat de Nederlandse overheid de armenzorg heeft overgenomen van de kerk. Die verandering biedt de diakonie juist weer de gelegenheid om de volle breedte van haar taken in gemeente en samenleving in ere te herstellen nu niet alle inspanning zich hoeft te richten op eerste levensbehoeften. “Onze naaste liefhebben” betekent omzien naar elkaar, aandacht hebben voor elkaars zorgen en elkaar daadwerkelijk, met raad en daad, bijstaan. ”Onderstand” noemde men dat vroeger.

Hebben wij eigenlijk nog wel zicht op de dagelijkse zorgen in onze naaste omgeving. In de kleine kernen van Eersel en Hoogeloon verschraalt de dorpsgemeenschap. Er dreigen mensen, zwakkeren in de samenleving, vereenzaamd uit de boot te vallen. Een van de weinige eigen vensters die we als kerk op die buitenwereld hebben zou wel eens de laagdrempelige aanwezigheid van de predikante in haar open kerk op maandagmorgen kunnen worden. Maar dan nog, er zou wat gedaan kunnen worden met de dingen die we door dat venster te zien krijgen.

Misschien kan ook de diakonie, namens de gemeente, met geld en (vooral) met goede, aan de lokale situatie aangepaste ideeën inspelen op sluipende sociale verschraling. Hoe reageren we als dorpsgemeenschap op het vertrek van het postkantoor, de bank, de laatste winkel uit een dorp? Wat waren eigenlijk de geestelijke problemen van boeren in onze eigen omgeving bij het uitbreken van  besmettelijke dierziekten als varkenspest en mkz. Het is misschien tijd dat de diakenen hun takenpakket in die zin aanscherpen of herdefinieren.

Als plaatselijke gemeente zouden we meer zicht moeten hebben of krijgen op actuele geestelijke en materiele noden in onze eigen gemeenschap en initiatieven ontwikkelen om daar diakonaal op in te spelen.

PARTICIPATIE, TOERUSTING EN VORMING

Niet alle initiatieven en activiteiten in de gemeente zijn te rangschikken onder de hoofden pastoraat en diakonaat. De kerkenraad als ongedeeld bestuurslichaam is de plaats voor initiatieven die in werkgroepen van gemeenteleden kunnen worden uitgevoerd. Hierdoor worden kerkenraadsleden ontlast en raken gemeenteleden meer betrokken.

Dialoog

De gewone zondagse kerkdienst kan wel inspireren en saamhorigheid stimuleren. En interactief werken bevordert dat de gemeenteleden zich actief  bij de dienst betrokken voelen. Zo kan er bij de verkondiging worden ingaan op een persoonlijke vraag of geloofsbeleving die in de dienst door een lid van de gemeente aan de orde wordt gesteld. Maar om in de gemeente werkelijk met elkaar te discussieren leent de opzet van een kerkdienst zich niet zo goed. Een inhoudelijke dialoog over een specifiek thema, met mensen die zich daar bij betrokken voelen, zal beter uit de verf  komen na wat denkwerk vooraf van deelnemers. Die willen best zeggen wat ze denken - bij voorkeur aan de hand van vooraf verspreide stellingen. En daardoor samen verder komen dan alleen.

Voor die thematische groepsactiviteiten kan beter apart een plaats en een tijd gereserveerd worden – zoals ze dat doen in de “Sunday School” van Amerikaanse kerken, waar het gesprek  uitloopt op de kerkdienst en  de groep weer opgaat in het geheel van de gemeente. Of een doordeweekse avond om zo’n onderwerp uit te diepen in de kleinere, meer besloten kring van een gespreksgroep over de vragen waar de deelnemers zelf over bezig zijn.

Tijd en intensiteit

Dikwijls zullen dat mensen voor inhoudelijke gesprekken over een thema waar ze belangstelling voor hebben liever naar avondbijeenkomsten van 2 tot 3 uur komen, dan naar een kerkdienst van een uur op zondag. Een relevant thema, waarvoor belangstellenden persoonlijk worden uitgenodigd, spreekt vaak meer aan dan een breed gespreksonderwerp waar je met relatief onbekenden over moet gaan zitten praten.  In de volle agenda van moderne tweeverdieners zijn dikwijls ook te veel gezamenlijke activiteiten op de zondag geconcentreerd. Als de kerk op “de dag des Heren” ook een eigen, vaste plaats wil claimen, dan moeten we niet overvragen.

Misschien kunnen in de planning van kerkelijke activiteiten een aantal dingen beter naar doordeweekse dagen verschoven worden. In een soort vast ritme dat gekend is. Bijvoorbeeld:

      -   Eén dienst op zondag. Net als nu, afwisselend in Eersel en in Hoogeloon, maar beginnen om 10.30 u. Iedereen kan daar heen komen zonder zich te hoeven haasten en er ontstaat vooraf ruimte voor deelactiviteiten.

      -   Op de zaterdagavonden een liturgisch (oecumenisch) avondgebed.

·       Eén vaste avond in de week (dinsdag?) voor alle verschillende thema- en discussiegroepen,  catechisaties etc. die gehouden worden in “de Klepel” en “de Overloop”.

·       Maandagmorgen: “Open kerk”

Zo is in en rond de kerk heel het jaar wat te doen zonder dat de agenda van de actieve mensen in de gemeente in bepaalde perioden dicht gaat slibben met kerkewerk.

Een rijk palet van activiteiten

Verfraaiing en onderhouden van de kerkgebouwen, uitvoeren van de kosterswerkzaamheden,

het gastvrij verwelkomen van bezoekers van buiten (niet speciaal voorafgaande aan de dienst, maar vooral bij het koffiedrinken), voorbereiden van speciale diensten, er is actie mogelijk en soms ook nodig op veel verschillende gebieden. In de Denktank zijn tal van mogelijkheden genoemd om mensen te engageren voor een specifieke taak in de gemeente of namens de gemeente in werkgroepen met anderen. Men kan actief zijn in een  werkgroep voor de oecumene of ter voorbereiding van de Vredesweek, of deelnemen in een kring van gemeenteleden uit de verschillende dorpen die de gemeenschappelijke thema’s voor het groot huisbezoek voorbereidt en samen met de predikant evalueert. Er zijn in onze gemeente ook vast wel mensen die in het herfst- en winterseizoen mee willen doen aan gesprekskringen over een specifiek thema (bijvoorbeeld “Geloof en Wetenschap”) of  een goed verkocht boek (van iemand als Kuitert bijvoorbeeld?). Misschien zijn er wel mensen onder ons die zo’n kring kunnen leiden.

De Federatie tussen de kerken in Hoogeloon/Eersel, Bladel en Bergeyk is indertijd vooral tot stand gebracht met het oog op de grotere mogelijkheden voor toerustings- en vormingswerk met drie kleine kerkjes samen. Zulke mogelijkheden zijn er echt. Dat blijkt uit het jaarlijkse “Kom in de kring” programma.

Er zijn waarschijnlijk nog wel meer kansen om in federatieve samenwerking dingen van de grond te krijgen waarvoor de afzonderlijke gemeentes een te klein draagvlak hebben. Het verdient daarom aanbeveling de activiteiten van de federatie juist op dit deelgebied te concentreren en door het benutten van de mogelijkheden tot een succes te maken. Ook activiteiten in gezamenlijk verband maken van gewone mensen enthousiastere gemeenteleden.

We moeten voor toerusting en vorming ook buiten de deur durven kijken. Als groepjes gemeenteleden gebruik maken van het aanbod aan cursussen en voordrachten op levensbeschouwelijk gebied bij HOVO, Studium Generale, VU-podium, Volksuniversiteit, e.d. zal ook dat voor het onderlinge gesprek en vervolgens ook in het gemeenteleven nieuwe impulsen geven.

Veelvormige activiteiten die zich richten op specifieke doelen binden individuele mensen aan de gemeente en activeren bovendien de rol van de kerk in de samenleving. 

WIE EEN TOEKOMST HEEFT HEEFT JEUGD.

Ook een belijdende kerk van individualistische volwassenen moet er voor zorgen dat haar boodschap naar volgende generaties wordt doorgegeven. Hoe dat moet worden aangepakt is een groot probleem. De denktank is er niet goed uit gekomen. In Hoogeloon/Eersel is er bovendien het specifieke probleem van de zeer kleine aantallen jongeren per leeftijdsgroep. Wij wonen nu eenmaal met een kleine tweehonderd, relatief kinderarme, gezinnen als een minderheid verspreid over een aantal afzonderlijke dorpen. Er was vroeger een vergelijkbaar probleem in de Gereformeerde kerk van Valkenswaard. Ook daar moesten om hanteerbare aantallen en leeftijdscategorieen te krijgen voor het jeugdwerk relatief kleine groepjes kinderen bij elkaar gebracht worden uit een heel groot gebied. 

Onze kerk houdt kinder-nevendiensten voor de kinderen van de basisschool-leeftijd. Maar dat concept functioneert niet meer zo goed. Dat ligt niet aan gebrek aan enthousiasme bij de vrijwillige leiding van de kindernevendienst. Die probeert van alles. Maar er blijken gewoon niet genoeg kinderen te komen om aan de kindernevendienst de gewenste eigen groepsdynamiek en meerwaarde mee te geven.

Uitgangspunt bij een kindernevendienst is, dat kinderen van de basisschool-leeftijd samen met hun ouders naar de kerk gaan. Er is dan uiteraard geen vervoersprobleem, en het benadrukt  dat de kindernevendienst er is voor gezinnen die willen horen tot de meelevende vaste kern van de gemeente. Eerst doen de aanwezige kinderen in de kerk, samen met hun ouders en met de rest van de gemeente, mee aan de liturgie in het eerste deel van de dienst. Bij het begin van de preek verplaatsen de kinderen zich groepsgewijs, onder orgelspel en met medeneming van een brandende kaars uit de kerk, naar een andere ruimte. Daar zijn ze onder elkaar, en met elkaar op hun eigen manier bezig over het thema van de dienst. Ze hoeven dus niet de preek voor de  volwassenen uit te zitten, die ze normalerwijze boven de pet zou gaan. Na de preek keert de groep in de kerk terug en beleven de kinderen samen met hun ouders de afsluiting  van de dienst, met heenzending en zegen. Deze aanpak maakt een kind vertrouwd met kerkdiensten waarin wat te beleven is, voor alle gezinsleden. Omdat het gekozen thema voor de kerkdienst en voor de kindernevendienst gelijk is, kan daar zelfs thuis over nagepraat worden.

Velen bewaren uit hun jeugd goede herinneringen aan deze opzet, die op veel plaatsen de ouderwetse “zondagsschool” heeft vervangen. Maar in Hoogeloon/Eersel blijkt nu dat de kindernevendienst niet meer op deze manier kan functioneren. Er doen van week tot week gewoon te weinig kinderen aan mee. Daarom is er nog maar één bijeenkomst per maand overgebleven en is daarmee de continuiteit van de kindernevendiensten opgegeven.

Voor kindernevendiensten is de doelgroep in onze gemeente natuurlijk ook maar heel klein. Ze beperkt zich tot  een kern van gezinnen die trouw naar de kerk komen en kinderen van de basisschoolleeftijd hebben. We dienen serieus te onderzoeken of er wel genoeg van die kinderen zijn in Hoogeloon en Eersel. Dat is waarschijnlijk niet het geval. Getalsmatig lijkt de specifieke doelgroep voor de kindernevendienst bij ons verdwijnend klein. En als dat zo is, dan wordt het verspilde energie om te proberen toch een kindernevendienst overeind te houden. Als de doelgroep niet bestaat moet je er mee stoppen.

Er vraagt ook een andere, heel veel grotere groep kinderen van de basisschoolleeftijd om onze aandacht. In regionaal verband proberen kerken die groep te bereiken door het aanbieden van  oecumenische werkweken en zomerkampen. Het zijn de kinderen van ouders die niet regelmatig bij ons naar de kerk gaan. Daar zijn overigens ook de leden van de gemeente bij, die de kerkgang laten afhangen van de aangekondigde predikant, of van de plaats waar de dienst gehouden wordt. Maar ook veel mensen in de marge van de kerk, met allerlei eigen, soms vage en zeer persoonlijke religieuze ideeën, die niet goed sporen met onze kerkelijke praktijk van alledag. Vaak vinden die mensen de verhalen van de kerk belangrijk voor de ethische en culturele cohesie in de samenleving. Zíj kopen kinderbijbels en zij gaan met hun kinderen waarschijnlijk ook naar een mooie kerstdienst in één of andere kerk. Hun kinderen zitten meestal op de openbare en protestantse scholen in onze dorpen.

Met ouders die zelf niet (meer) naar de kerk gaan, maar die voor hun kinderen zo’n “zondagsschool” toch wel een goed idee vinden, komt er een veel grotere doelgroep in onze gezichtskring. Het gaat voor de kinderen van die leeftijd om kennismaking en een eerste contact met de kerk, niet om inlijving in de gelederen. Het zou al fijn zijn als voor die kinderen de kerk niet buitenspel stond, maar net zo’n gewoon aspect van het leven was als de school en de sportclub. Dat wijst ze eventueel een weg voor later, als ze zelf kunnen kiezen.

Die grote doelgroep van kinderen tot 12 jaar kan niet benaderd worden in gezinsverband, en vraagt niet om “aangepaste kerkdiensten”. Wie daar toch wat mee wil beginnen moet gaan  investeren in een passende benadering. Er zijn grote obstakels van organisatorische aard als je kinderen uit die doelgroep bij elkaar wilt brengen. Daar is op ons platteland een soort schoolbus voor nodig. Of tenminste ouders die vrijwillig bij toerbeurt rijden, net als voor de hockeyclub. De eerste kunst is om kinderen, óók als hun ouders niet in de kerk een dienst zitten te houden, concreet met elkaar in contact brengen. Dan heb je de gelegenheid ze op een boeiende manier te vertellen wat de kerk te vertellen heeft. Dat kan, net als op de basisschool en bij de scouting, in een opzet met projecten waarmee een groepje kinderen langer dan één uurtje bezig kan zijn.

Het gaat voor kinderen van deze leeftijd en met deze achtergrond om makkelijk toegankelijke projecten, die gewoon aan de hand van geschikte verhalen uit een kinderbijbel dingen vertellen, dingen opzoeken en dingen maken. Over de Schepping, de Exodus uit Egypte, de barmhartige Samaritaan, de verloren Zoon en zo. Zelfs met een kerngroepje van drie, vier of vijf kinderen die regelmatig komen opdagen zou zo’n project nog uit te voeren zijn. En met té veel deelnemers wordt zo’n project, zowel voor de kinderen als  voor de vrijwilligers die het zouden moeten begeleiden zelfs al gauw te gecompliceerd.

Belangrijk voor de samenhang in een groep zijn ritme (elke week een bijeenkomst, afwisselend in Hoogeloon en Eersel) en continuiteit in de groepssamenstelling en het onderhanden werk. Als een project, met het thema van de dienst, van keer op keer verandert, dan verzwakt dat de onderlinge band. Die wordt juist sterker door groeiende gezamenlijke interesse in het eindresultaat. Een goede groep wil aan een fijn onderwerp de volgende week graag samen verder werken. Zowel voor een goed werkende kindernevendienst als voor het alternatief van de breder opgezette groep zijn tastbare resultaten van dat werken een belangrijke stimulans. Op geschikte momenten moeten die resultaten ook getoond kunnen worden, als werkstukken tentoongesteld in de kerk of in het bijgebouwtje waar de groep zich genesteld heeft. Door de trotse kinderen aan hun bewonderende ouders en aan de rest van de gemeente.

Experimenteren met de opzet van werk voor kinderen tot twaalf jaar kost geld. Met het oog gericht op haar eigen toekomst zou een gemeente ook goed doen daar in te investeren. Het is misschien wel het belangrijkste terrein om te proberen vrijwilligers met inbreng en deskundigheid te mobiliseren.

En voor wat hoort wat, ook bij jeugdwerk. Om de betrokkenheid te bevorderen zou je aan ouders van deelnemende kinderen zelfs apart contributie mogen vragen. Laat ze, per deelnemer, het geld bijdragen dat nodig is om voor ieder kind zo’n kinderbijbel te kopen. En om aan iedereen, die afscheid neemt van de groep en overgaat naar het vervolgonderwijs, namens de kerk een liedboek mee te geven. Dat draagt tastbaar bij tot hun persoonlijke binding, onderling en met de kerk.

Veel kinderen van de leeftijdscategorie tot 12 jaar vinden we op de protestantse basisschool Marnix van St. Aldegonde in Hapert en op de openbare scholen in onze dorpen. Hebben  plaatselijke kerken (de RK-parochies van het decanaat Bladel en wij, in onze Federatie met Bergeyk en Bladel) eigenlijk een of ander aandeel in de geestelijke en culturele  vorming op die scholen? Op openbare scholen zitten trouwens óók kinderen uit katholieke gezinnen. Hoe bereiden de (RK) parochies van de verschillende dorpen die kinderen eigenlijk vóór op de eerste communie? Misschien zou het een idee zijn om op die basisscholen met al die kerkelijke groeperingen samen een lespakket of -programma aan te bieden over de betekenis van Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen/zielen. De indeling van het kerkelijk jaar is een geschikte, oecumenische opzet voor een vormingstraject. Daar aan kunnen pastores, leerkrachten en vrijwilligers uit de verschillende kerken van onze federatie en van het RK decanaat Bladel op een natuurlijke manier oecumenisch met elkaar samenwerken. 

De middelbare schoolleeftijd vraagt een andere benadering. Adolescenten op die leeftijd  piekeren individueel over hun geloof. Dat is een gegeven, de kerk moet daar op inspelen, anders komen we te laat met onze boodschap. De zondagse kerkdienst legt de nadruk op wat de gemeente bindt. Daar is dus niet de geschikte plaats om individuele vragen en persoonlijke standpunten tegen het licht te houden. Dat gaat beter door gesprekken in een kleiner gezelschap – een groepje van tussen 5 en 10 personen. We hoeven dat niet zonder meer te afficheren als een “belijdeniscatechesatie”. Beter zouden we jaarlijks onder leiding van de predikant, en ook open voor belangstellenden van buiten de kleine kring van de eigen gemeente, een tweetal korte vormingscursussen organiseren. Bijvoorbeeld elke cursus van vier avonden, in één maand geconcentreerd, de ene vóór, de andere na de kerstvakantie. De eerste, algemeen en orienterend, over de plaats van de kerk (en haar boodschap) in de samenleving. De tweede, meer persoonlijk, over het zoeken naar zingeving en het meedoen in een open, belijdende gemeente. Belijdenis doen is daarna een individueel keuzemoment.      

De jeugdige generatie moet concreet benaderd worden, met duidelijke doelstellingen voor ogen en met op specifieke leeftijdsgroepen gerichte methoden – net als bij de sportclub en op school.

DE KERKDIENST EN DE EREDIENST

In de zondagsdienst belijden de leden van de gemeente met en voor elkaar, in woorden en door de symboliek van doop en avondmaal, hun gezamenlijk vertrouwen in God als Heer van de wereld. Daarvoor zijn in zo’n  kerkdienst collectieve, van week tot week herkenbare elementen nodig waar alle kerkgangers in kunnen participeren. En richtlijnen voor het leven - zoals de tien geboden uit het Oude Testament en Christus’ opdracht om elkander lief te hebben.

De dienst speelt ook in, bij de prediking en in de gebeden, op de vragen die ons bezighouden. En die we niet altijd zelf hoeven te formuleren! Het begint er mee dat leden van de kerk een geloof belijden, dat hoop impliceert voor de hele wereld, ondanks alle fouten die gemaakt worden. Zij zoeken en vinden daar de inspiratie bij om dóór te gaan, en te staan voor hun persoonlijke taak in de samenleving. Dat is de pastorale functie van de kerkdienst: te inspireren, collectief en individueel.

De wekelijke diensten op de zondagmorgen blijven voor veel mensen het  focuspunt  waar allerlei lijnen in het gemeenteleven elkaar kruisen. Daar vandaan lopen ze ook verder, naar het pastorale werk van ouderlingen, naar acties van gemeenteleden voor instellingen als Amnesty International en naar de werkgroep voor “Telechia”. Aan het begin van de dienst horen we de mededelingen over gesprekskringen, gemeenteavonden en muzikale activiteiten. En na afloop drinken de kerkgangers samen koffie en praten met elkaar over wat ze bezighoudt: het thema van de dienst of de dingen van de dag.

Het is heel belangrijk voor de gemeente dat in een vast ritme iedere zondag dienst gehouden wordt in de kerk van Eersel of van Hoogeloon. Of binnen dat ritme behoefte is aan extra accenten door speciale themadiensten hangt er nogal vanaf wat je daar onder wilt verstaan. De diensten op de Kerstavond en op de Paasmorgen zijn eigenlijk themadiensten en de Pinksterdienst ook. Dat zijn de accenten die gelegd zijn in het kerkelijk jaar. Het zal niet moeilijk wezen als we gemeenteleden persoonlijk willen betrekken bij de voorbereiding en de uitvoering van die kerkelijke hoogtijdagen. Die worden tenslotte óók bij de mensen thuis gevierd.

Er zijn door het jaar heen ook een aantal dagen waarop aandacht besteed wordt aan speciale thema’s naar aanleiding van bijvoorbeeld  Hemelvaart, Goede Vrijdag, Hervormingsdag of de Biddag voor het Gewas. Als mensen zich daar voor willen inzetten kan geprobeerd worden iets speciaals van zo’n dienst te maken. En dat kan ook gelden voor eigentijdse thema’s als de Vredesweek, de Eenheid van de kerken en onze relatie tot Jodendom en Islam. Als mensen zo’n thema in een werk- en gespreksgroep zo willen voorbereiden dat het in de gemeente leven gaat, dan is het goed daar een aparte themadienst aan te wijden. 

Je zou misschien ook diensten kunnen houden die zich speciaal richten op jongeren, ouderen, studenten, gezinnen met kinderen in de peuterleeftijd, mannen, vrouwen of nog andere geledingen binnen de gemeente. Het gevaar is dan dat  “de overigen” worden buitengesloten. Misschien ligt meer voor de hand zulke deelgroepen uit de gemeente, net als bij het jeugdwerk en het groot huisbezoek, van tijd tot tijd bij elkaar te brengen rond een voor die groep relevant thema. Het zal in onze toch al kleine kerk wel altijd om nóg weer kleinere groepen gaan, maar wel om mensen met interesse voor zaken die ze zelf meemaken (gezinnen met twee werkende ouders, nieuwe contacten binnen een vergrijzende buurt, het laten dopen van je kinderen etcetera).

De kerkdienst op zondag vormt een knooppunt, waar de gemeente bij elkaar gehouden wordt en leden de inspiratie zoeken  van een veelzijdige, vitale kerkgemeenschap.  

MEEDOEN IN DE LITURGIE

Er zijn in de kerken veel verschillende opvattingen over liturgische kwesties. En op dat gebied zijn er ook veel verschillende persoonlijke smaken en voorkeuren binnen onze eigen gemeente. Maar wat betreft de liturgie van onze kerkdiensten zal altijd één ding gelden: die moet uitstralen waar de gemeente voor staat. Als wij in de diensten kinderen dopen, avondmaal vieren, bidden om de opening van het woord en de zegen des Heren ontvangen moet zo’n ritueel onderdeel van de liturgie voor ieder die er aan meedoet ook een betekenis, een inhoud of lading hebben. 

Het samen bidden, samen zingen, de muziek, de stille bezinning kan iedere kerkganger het zijne meegeven uit de dienst. Kinderen worden er gedoopt temidden van de gemeente. De gemeente viert samen het (open) avondmaal als teken dat we als leden van een gemeenschap verbonden zijn door ons geloof. Zo doende in de dienst wordt de gemeente beleefd als een gemeenschap waar allen toe behoren. Mensen met verschillende achtergronden, uit verschillende dorpen en, in een SoW-gemeente, ook nog afkomstig uit verschillende kerkgenootschappen beleven iets samen in de liturgie van de kerkdienst.

Men vindt elkaar op die basis, en dat is een kostbaar goed. Dat gegeven beperkt echter ook de ruimte voor eigenzinnige liturgische experimenten. Want de grondslag voor participatie en beleven zal altijd wezen dat je weet wat je doet en herkent wat er gebeurt. Daar komt in Hoogeloon/Eersel nog als complicatie bij, dat in minstens de helft van de diensten een dominee voorgaat uit een andere plaats. Dat is een logische consequentie voor een kerk met een part time predikant.

Maar dat nadeel heeft ook een herkenbaar voordeel. In de preken van dominees van buiten zitten soms nieuwe, onverwachte en zelfs alternatieve gedachten. Net als bij de predikbeurten in een grote stadskerk, waar predikanten uit de wijkgemeenten voorgaan. De breedheid van de ideeënwaaier is goed voor de geestelijke openheid van de gemeente. Je kunt blijkbaar ook anders tegen allerlei dingen aankijken. Dat prikkelt de nieuwsgierigheid. Je raakt daar niet makkelijk op uitgekeken, zelfs niet na een paar jaar  trouw kerkbezoek. En je kunt plotseling overvallen worden door een nieuw, boeiend aspect van een gewone preek in een gewone zondagsdienst.  

Maar met zo veel variatie om zuiver organisatorische redenen is er des te meer behoefte aan sterke liturgie, met vaste, voor de gemeente herkenbare onderdelen. Ook daarom zouden ouderlingen, diakenen en individuele  gemeenteleden in de liturgische kant van de diensten een actievere rol moeten gaan spelen dan nu. Het is daar voor nodig dat de betrokkenen bij de dienst van de week zich daar met elkaar op voorbereiden (en zo mogelijk met de predikant). Door zelf met schriftlezingen, voorbeden, mededelingen en collectes naar voren te treden in de dienst maken we de dingen van onze gemeente voor allen zichtbaar.

Het zou heel goed wezen als de liturgie van onze diensten jaarlijks zou worden doorgelicht. En zo nodig bijgesteld. Dat voorkomt verslapping van de aandacht voor de inhoud van de liturgie door de sleur van de vorm. Een vaste liturgie van de diensten vraagt ook dagelijks onderhoud. Als een boekje met de orde van onze diensten en bijbehorende liederen op de kerkbanken gelegd wordt, dan is het ook van belang dat voorgangers, organisten en ouderlingen van dienst zich daar, net als de gemeente aan houden. Of dat eventuele afwijkingen  tijdens de dienst aan de kerkgangers verklaard worden. Want daar kunnen heel goede redenen voor zijn, bijvoorbeeld in een oecumenische dienst of vanwege de nadruk op een speciaal thema.

Samen op Weg: wij bouwen voort op de liturgische rijkdom van Hervormde, Gereformeerde en Lutherse tradities. En in breder verband op die van de hele Christelijke kerk. Daar mogen we vrijelijk gebruik van maken. Maar de onderdelen van de liturgie zijn geen heilige rituelen met eeuwigheidwaarde. Je moet er dus ook niet al te plechtstatig mee omgaan: de liturgie van de diensten draagt uit hoe wij de boodschap van het evangelie willen verstaan.

De glans van de liturgie kan ook werkelijk de belevenis in de dienst intensiveren. Denk maar aan het gevoel dat bij een aantal leden van onze gemeente wordt opgeroepen tijdens de Taizé-diensten. Maar dat werkt alléén als de mensen weten wát ze doen in de dienst, en ook waarom. Steeds zal het nodig zijn om aan de invoering van verse elementen in de opzet van de kerkdienst voldoende energie en uitleg te besteden. Een levende liturgie moet groeien en zich, evenals de vitaliteit van de gemeente, kunnen ontwikkelen in de tijd. Voor zo’n ontwikkeling is een beleid nodig waarin op een beheerste en verantwoorde manier de tijd genomen en gegeven worden. Anders werken liturgische veranderingen, hoe mooi ook, alleen maar vervreemdend en belemmerend voor de actieve participatie van de kerkgangers in de dienst.

Bewust gekozen en begrijpelijk verwoorde liturgische elementen in de orde van dienst maken veel dingen over de gemeente duidelijk, zelfs aan een buitenstaander of een bezoekende vakantiegast. 


Previous Next