Hoogeloon, Hoofdstraat 68 Protestantse Kerk    Hoogeloon - Eersel Eersel, Markt 38

Welkom

Geschiedenis

Agenda

Activiteiten

Kerkdienstenrooster

Bloemen

Bloemschikken

kerkblad

Kerkdiensten Audio

Contact opnemen

Preken

Diaconie

Visie en beleid

Kerkverhuur

Zaalverhuur

ANBI gegevens

Info van Bergeijk

Info van Bladel

Gemeenten Regio

Links

   

 

Zoeken met Google:

 

Dienst in Eersel op 3 maart 2013

Voorganger Ds. J. Fijn van Draat

Welkom en mededelingen

 

Stilte

lied: psalm 27: 1, 4

Groet, bemoediging en drempelgebed

lied: psalm 27: 5

smeekgebed

lied: psalm 27: 7

gebed

inleiding bij de lezing

schriftlezing: 1 Samuël 24

lied: gezang 90: 1, 2

preek en orgelspel
lied: gezang 90: 5, 6, 11

inzameling van de gaven
Gebeden
Slotlied gezang 257
Zegen
orgelspel

 


Preek over 1 Samuël 24

 


Inleiding: In deze periode in de veertigdagentijd lezen we over David de koning van Israël. Ivm Jezus die zoon van David genoemd wordt.
De eerste grote koning was Saul. Hij mislukt.
De jonge herder David wordt in zijn plaats tot koning gezalfd.
Saul weet het, David weet het. Wat niet bekend is, is wanneer de wisseling van het koningschap zal plaats vinden (dat kennen we...)
Het punt waarop wij vandaag gaan lezen, is het punt waarop David met manschappen (die hem als nieuwe koning zien zitten) in de woestijn vertoeft, daarheen is gevlucht. En Saul (de zittende koning) probeert met zijn manschappen hem op te sporen, met het oogmerk hem, David, de troonpretendent, te doden.
U hoort 1 Samuel 24

Gemeente
Een prachtige beeldende geschiedenis waarbij David moreel gezien goed uit de verf komt. We kennen wel heel andersoortige verhalen van hem.
Zoals in het hoofdstuk hierna, als hij in woede gedwarsboomd te worden door een grote boer die hem en zijn manschappen niet van proviand wil voorzien, hem een kopje kleiner wil maken. Gelukkig houdt diens vrouw Abigail hem/David tegen.
En later ontmoeten we David als koning, die de vrouw van een ander neemt en haar man in de voorste gelederen van de troepen plaatst, zodat die zeker zal omkomen tijdens een gevecht (U hoort dit verhaal over Batseba en Uria volgende week).

De grote David heeft vele kanten aan zich.

Vandaag komt een van zijn stralende en fraaie kanten naar voren.
Een dan zien we in hem de ware koning.
De afspiegeling van een ware gezalfde, een Messias.
En is het begrijpelijk waarom Jezus later ‘zoon van David’ wordt genoemd.
Ik neem u mee dit schitterende verhaal in en zal daar twee scenes uit lichten.


A. De eerste is de scene speelt zich af in de grot, in de spelonk.
Het is natuurlijk een spannend gebeuren, wanneer David heel stilletjes achter Saul komt en een stuk van dienst mantel af snijdt.
Je ziet voor je hoe iedereen met ingehouden adem afwacht hoe het afloopt.
De mannen van David sissen hem toe: dit toeval mag je niet door de vingers laten glippen. Grijp je kans. Dit is Gods’ bestuur.
David grijpt zijn kans, maar op een andere manier dan de mannen bedoelden en wilden.
Hij slaat zijn tegenstander niet -gehurkt en weerloos poepend – neer.
David blijft Saul eren en met respect behandelen.
Tot 3x toe noemt hij hem in dit hoofdstuk alleen al ‘de gezalfde van de Heer/God’;
en ook noemt hij Saul: ‘mijn heer en koning’; ja zelfs: ‘vader’.
David grijpt zijn kans, zoals zijn kornuiten hem toefluisteren, maar op zijn eigen wijze. Nl. om zijn koning duidelijk te maken dat hij geen kwaad in de zin heeft. Dat hij niet uit is op dood en wraak.

Toeval. Iets wat je toe - valt: een mogelijkheid, iets bijzonders, iets onverwachts.
Zomaar, opeens valt het je toe.
Toeval. En dan is het punt wat je daar mee doet, hoe je er op reageert.
Zowel David als zijn mannen zien in dit toeval Gods hand.
Maar de mogelijkheid die door dit toe-vallen wordt geboden, bezien ze heel verschillend.
De manschappen zien het als een mogelijkheid door God geschonken, om te doden.
David ziet het als een mogelijkheid door God geschonken, om te bewijzen dat hij uit is op leven.

(Tussen haakjes: laat me zien hoe je in het leven staat, en dan zie ik hoe je God ziet).

Daarin is David werkelijk messiaans, de voorloper van Messias Jezus. Want wie laat ooit zijn vijand, zijn vervolger gaan, als hij hem op zijn weg vindt?!
De messiassen vergelden kwaad met goed........



B. De tweede scene speelt zich buiten de spelonk af.
Ik zie het voor me: die rotsholen (gebaar maken) en uit een daarvan stapt Saul weer naar buiten en daalt af naar zijn manschappen.
Een paar minuten later stapt ook David naar buiten en roept : ‘mijn heer en koning’ en knielt.
Hij staat hoger dan Saul, netzo als in de spelonk. Maar hij knielt respectvol.
En dan volgt die uitgebreide redevoering met typisch oosterse wijdlopigheid.
En de retorische vraag, een uitroep dus eigenlijk: ‘tegen wie is de koning van Israel (sic) eigenlijk uitgerukt. Op wie maakt u jacht?!
Een dode hond, een nietige vlo.............
De oude schrijvers hadden een heerlijk gevoel voor drama.
Het gaat mij bij deze tweede scene om Sauls reactie.
Saul die zegt: ‘is dat jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon’ en vervolgens in tranen uitbarst (hij verhief zijn stem en weende).

Saul is een emotioneel mens.
Hij is een getourmenteerde, een gekwelde koning.
Hij leidt aan depressies, hij kent angst.
Die grondeloze angst niet(s) of niemand te zijn. De angst van het ik-verlies.
En hij vlucht en vlucht.
Ja, ik weet wel dat het officiëel David is die op de vlucht is voor Saul. Maar in diepere zin geeft onze bijbelschrijver aan dat Saul de vluchteling is.
Hij werpt zich op allerlei activiteiten om zijn angst, zijn depressies te ontlopen.
Hij jaagt en jaagt en jaagt (tot in hoofdstuk 26) achter David aan.
Weet hij nog wel waarom, waartoe?
Saul, wie ben je........... Saul?!! (Zo hoorde Paulus ooit een stem zeggen : Saul)
Opeens hoort hij een stem: ‘mijn heer en koning’.
En zijn vluchten en jagen wordt stil gezet, stop gezet.
De stem noem hem (Saul): ‘mijn heer en koning’.




Op dat moment is zijn bestaan niet gronde-loos meer. Hij voelt weer grond onder de voeten. Hij IS koning Saul.
David geeft hem zijn waardigheid, zijn waarde, zijn identiteit.

‘Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: ‘Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ En hij barstte in tranen uit. Voor ons >>>>>>

Is het jouw stem....; d.w.z. de woorden die ik hoor, alles wat je me vertelt, en hoe je me noemt: koning en vader...........
Dat alles past niet in het vijandsbeeld dat in Sauls geest aangaande David was ontstaan.
Het is maar al te bekend. >>>>> Je hebt iets tegen iemand, gewoon iets dat je niet lekker zit. En als je dat iets laat doorsmeulen in je hoofd en hart wordt het groter en groter.
Het is maar al te bekend.>>>>> Bv. als je iets hebt tegen iemand, dan kan die persoon in je gedachten zozeer vervormd worden, dat je de werkelijke mens niet meer kent, niet meer ziet, niet meer hoort.
Het is maar al te bekend, het is iets van alle tijden.

‘Is dat jouw stem, David!’
Saul was zeer verblind en verdoofd. In heel zijn wezen.
Maar door woorden vol respect en vol liefde kan er verlichting in je vertroebelde hersens komen. David bracht hem terug bij zichzelf.
Daarin is David werkelijk messiaaans, de voorloper van Messias Jezus.
Ook die bracht getourmenteerden, bezetenen, blinden: inzicht- en uitzichtlozen, verlamden en verstomden weer bij zichzelf.

Grond onder de voeten en rust om werkelijk te zien en te gaan en te leven in Gods goede schepping; in vrede met zichzelf en in harmonie met anderen.

amen